Verhaal
De kikker en de oceaan

Een kikker leefde diep in een put. Hij was er ooit in gesukkeld toen hij die ene keer te ver sprong. Dat kan al eens gebeuren als je wat overmoedig bent. Het was een oude put, die door iedereen was vergeten. Wat aarde, mos en gras en een beetje water dat verdampte wanneer de zon fel scheen en dat opnieuw aangevuld werd als het regende. De put was ideaal. Diep genoeg om beschermd te zijn tegen de belagers vanuit de lucht. De put was het koninkrijk van de kikker. En kikkers zijn al eens graag koning. Daarvoor zijn het kikkers.
Alleen het uitzicht viel wat tegen. De muren waren grijs, steil en glad en boven hem was de hemel gereduceerd tot een blauwe platte schijf. Hij was er sinds de grote, maar ook laatste sprong, sinds kikkerheugenis zeg maar, niet meer uit geweest. En aangezien kikkers een kort geheugen hebben, was hij zelfs vergeten dat hij ooit buiten de put had geleefd.
Nu kwam er op een dag een meeuw voorbij. Dat gebeurde niet zo vaak, want de put lag behoorlijk diep in het achterland. Enkel bij zeer koud weer en als de wind uit het noordwesten kwam, werden meeuwen wel eens landinwaarts geblazen. De meeuw zag de kikker en remde. Hij bleef even cirkelen boven de put, zich ervan vergewissend of hij echt wel een levend wezen had gezien, zo diep in de put. Hij landde op de stenen rand van de ronde schacht.
“Hé, wat zit je daar te doen?”, riep de meeuw naar de kikker, “zit je gevangen?”
De kikker keek omhoog. Dat ging makkelijk, want een kikkerperspectief was hem aangeboren. De meeuw was, vanuit zijn standpunt gezien, een zwart snavelig halfrond silhouet dat zijn mooie blauwe cirkel doorbrak. De poten kon hij niet zien.
“Hoezo, gevangen?”, schreeuwde de kikker terug.
“Moet jij niet aan een poel zitten, of in een weiland?”, vroeg de meeuw.
“Ik zit aan een poel. Mijn poel trouwens. Ik ben helemaal niet gevangen.”
“Wil je er dan niet uit?”, vroeg de meeuw.
De kikker keek verbaasd. Eruit? Waar zou hij dan wel uit moeten? Hij zat toch nergens in?
“Neen, ik moet nergens uit”, zei hij, nu toch met enige aarzeling in de stem.
“Oké”, riep de meeuw, “dan ga ik maar eens terug naar de Oceaan.” En weg vloog hij.
“De oceaan?”, dacht de kikker, “Wat zou dat nu kunnen zijn?”
Hij keek rond, sprong in zijn plas en trok enkele baantjes.
___________________
Dit verhaaltje werd geschreven op basis van een uitspraak van de Chinese wijsgeer Zhuangzi: “Hoe kun je aan een kikker, die op de bodem van een put leeft, de grootheid van de oceaan beschrijven? Hij zal je niet begrijpen”.
___________________
Interesse in andere verhalen? Neem een kijkje op onze verhalensite dekrachtvanontmoetingen of schrijf je in en ontvang regelmatig een verhaal in je mailbox.
